Mobiliteit

Charter

De wijk is efficiënt bereikbaar en faciliteert het gebruik van actieve vervoerswijzen en het openbaar vervoer voor alle gebruikers.

Quickscan

Het delen van de openbare ruimte voor alle vervoerswijzen volgens het STOP-principe* is de ambitie achter het ontwerp van duurzame mobiliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het ontwerp van een wijk is een kans om het gebruik van actieve vervoerswijzen zoals wandelen en fietsen te bevorderen en het openbaar vervoer aan te moedigen. Een opwaardering van het begrip “nabijheid” weerspiegelt de wens om de actieve vervoerswijzen voorop te plaatsen binnen de keuzemogelijkheden.

* STOP-principe dat voortvloeit uit het GPDO en Good Move: bij het ontwerp van het project wordt voorrang gegeven aan actieve vervoerswijzen, vervolgens aan het openbaar vervoer en tot slot aan motorvoertuigen

Memento

Memento

MOB 01 - Heeft de wijk een mobiliteitsstrategie?

Ambitie: Kennis nemen van het algemene mobiliteitskader waarin de wijk zich. afspeelt.

Het stedelijk ontwerp vereist dat er rekening wordt gehouden met de transportmiddelen, dit met een permanente schaalsprong tussen het Gewest, de gemeente en de wijk. Het gaat om het verstrengelen van belangen, uitdagingen en programma’s die tegenstrijdig kunnen zijn. De mobiliteitsstrategie is er dus op gericht om contextueel te zijn:

  • De wijk maakt deel uit van een groter netwerk binnen de stad. De studie legt een verband met naburige gebieden om een bredere contextanalyse op te kunnen stellen.
  • Binnen zijn eigen ‘perimeter’ past de mobiliteitsorganisatie van de wijk zich aan de eigen stedelijke context en typologie aan: een goed begrip van diens werking zal het mogelijk maken om gebruiksconflicten te vermijden, behoeften te anticiperen, en ook om de vraag naar verplaatsingen te verminderen, om zo het gebruik van de auto te beperken.
MOB 01 - Heeft de wijk een mobiliteitsstrategie?

MOB 02 - Zijn de infrastructuur en open ruimte aangepast aan de mobiliteitsambities voor de wijk?

Het ontwerp en de inrichting van de mobiliteitsinfrastructuur hebben een impact op het gedrag van de gebruikers. Ze kunnen een ambitieuze mobiliteit ondersteunen die gunstig is voor actieve vervoerswijzen en openbaar vervoer.

MOB 02 - Zijn de infrastructuur en open ruimte aangepast aan de mobiliteitsambities voor de wijk?

MOB 02.01 - Zijn de inrichtingen aangepast aan de wegenspecialisatie*?

Ambitie: De mobiliteitsstrategie inleiden, dankzij de fysieke inrichting.

Binnen de wijk zal het ontwerp van een duidelijk gespecialiseerd* wegennet, waarbij de openbare ruimte voorrang geeft aan voetgangers en fietsers boven gemotoriseerd verkeer, allicht een sterke invloed hebben op de levenskwaliteit. Deze wegenspecialisatie is georganiseerd in samenhang met de soorten functies die binnen de perimeter en de omgeving ervan aanwezig zijn en volgens de aanwijzingen op gewestelijk en gemeentelijk niveau.

* Wegenspecialisatie, in de zin van het gewestelijke beleid op dit gebied.
Zie in het bijzonder: http://www.publicspace.brussels/nl/context/?print=pdf&depth=all

MOB 02.02 - Worden het gebruik en de plaats van de auto gerationaliseerd?

Ambitie: Door middel van de inrichting, streven naar een rechtvaardige verdeling van de ruimte tussen de verschillende modi.

Om tot een duurzame mobiliteit te komen, wordt bij wijkprojecten een minder prominente plaats gegeven aan de auto. Zelfs wanneer de zichtbaarheid van de auto -meer precies de privéwagen- vermindert, betekent dit niet dat deze volledige uitgesloten wordt, maar wel dat deze verstandig wordt gebruikt en dit dankzij een adequate organisatie van het verkeer en het parkeren binnen de wijk, waarbij voorrang wordt gegeven aan off-street parkeren. Er kunnen hiertoe maatregelen worden ingezet, vooral om de mobiliteit met andere vervoerswijzen te vergemakkelijken.

MOB 02.03 - Bevordert de wijk routes voor de actieve modi?

Ambitie: Vergemakkelijken van het gebruik van actieve modi vanaf de ontwerpfase.

Veel aspecten kunnen bijdragen tot het vergemakkelijken van het gebruik van actieve vervoerswijzen, met name via comfortabele en veilige routes, zonder omweg maar met mogelijke binnenwegen, adequate bewegwijzering, infrastructuren die de gebruiker comfort bieden (zoals comfortabele wegdekken, banken, parkeerplaatsen voor fietsers op en naast de weg, gedeelde fietsen, aanpassingen voor personen met beperkte mobiliteit enz.).

MOB 02.04 - Vergemakkelijkt en stimuleert de wijk het gebruik van het openbaar vervoer?

Ambitie: Vergemakkelijken van het gebruik van het openbaar vervoer vanaf de ontwerpfase.

Zodra er sprake is van een intensivering van het gebruik in de wijk (en dit in relatie tot de verdichting ervan, zou in het ideale geval een kwalitatieve openbare vervoersdienst verzekerd moeten worden: dit zou de integratie van dit aanbod in de verplaatsingsgewoonten moeten optimaliseren. De kwaliteit van dit aanbod vertaalt zich in:

  • de kwaliteit van de dienstverlening (gekoppeld aan het netwerk als geheel, het type lijn, de frequentie, de regelmaat, de commerciële snelheid door de wijk en nabijheid),
  • de plaats van de haltes, en dus de afstand tot de haltes (afhankelijk van het type lijn),
  • het wachtcomfort (bescherming tegen de weerselementen, veiligheidsgevoel…),
  • de kwaliteit van de route (inclusief PBM-toegankelijkheid) naar en van haltes, cf. ook MOB 02.03.

Door rekening te houden met deze verschillende inrichtingsparameters kan het vervoersaanbod op lokaal niveau worden geoptimaliseerd.

MOB 03 - Is de wijk geoptimaliseerd voor logistieke mobiliteit?

Ambitie: Rekening houden met de vereisten voor het organiseren van leveringen en vrachtwagenritten.

Leveringen blijken vaak een probleem te zijn voor de levenskwaliteit van een wijk en kunnen een bron van overlast zijn (vervuiling, lawaai, visuele hinder enz.). De organisatie van de leveringen van goederen, afvalinzameling en andere activiteiten kan worden voorzien in het programma van de wijk in lijn met de voorziene economische en sociale activiteiten. Logistiek heeft ook betrekking op de omwonenden, of het nu gaat om het doen van hun boodschappen of het laten bezorgen van goederen. Op wijkniveau brengt dit met zich mee dat er over volgende punten wordt nagedacht:

  • de locatie van de functies: door de actoren die verkeer genereren zo te positioneren dat hun intrede in de wijk wordt beperkt en het mogelijk te maken om leveringen te mutualiseren;
  • de organisatie van de leveringen: zoveel mogelijk off-street, afgeschermd en gedimensioneerd;
  • de inrichting van wegen, als de leveringen niet buiten de weg om kunnen worden uitgevoerd;
  • gebieden die bestemd zijn voor de bevoorrading van de wijk (lokalen voor het parkeren van transportfietsen, opslag voor bezorgers, winkeliers of bewoners, verbindingspunten, mobiele punten enz.);
  • de keuze van de gebruikte voertuigen (ook over water…).
MOB 03 - Is de wijk geoptimaliseerd voor logistieke mobiliteit?

MOB 04 - Is de werf duurzaam vanuit mobiliteitsoogpunt?

Ambitie: De werf zo inrichten dat ze niet te zwaar weegt op het leven in de wijk, vooral vanuit het oogpunt van de mobiliteit.

Bij de organisatie van een werf die inzet op een duurzame mobiliteitsaanpak kunnen vele aspecten in overweging worden genomen: organisatie van de fasering, organisatie van alternatieve routes, onderhoud van het aanbod van gedeelde voertuigen (auto’s, fietsen…), organisatie van konvooien, exploitatie van de waterweg… Op deze aspecten kan worden geanticipeerd voor de start van het project, om de impact op het leven in de wijk te beperken.

MOB 04 - Is de werf duurzaam vanuit mobiliteitsoogpunt?

MOB 05 – Worden alternatieve verplaatsingssystemen en de ontwikkeling van mobiliteitsdiensten aangemoedigd?

De ontwikkeling van alternatieven voor het gebruik van de personenauto kan andere gebruiksvormen stimuleren. Hiertoe kunnen specifieke infrastructuren worden ontwikkeld.

MOB 05 – Worden alternatieve verplaatsingssystemen en de ontwikkeling van mobiliteitsdiensten aangemoedigd?

MOB 05.01 - Beschikt de wijk over alternatieve verplaatsingssystemen?

Ambitie: Het aanbieden van alternatieven voor de personenwagen is noodzakelijk om de gewoontes te veranderen.

Verschillende formules voor autodelen en carpooling bieden flexibele alternatieven voor individueel autobezit. Het wijkproject kan de aanwezigheid ervan al vergemakkelijken en stimuleren: ruimte voorbehouden, hierover communiceren en gebruikers in contact brengen…

MOB 05.02- Staat de wijk het delen van infrastructuur toe?

Ambitie: Parkeerplaatsen optimaliseren zodanig dat andere toepassingen mogelijk zijn.

Door de mobiliteit te herzien kan ook de aangelegde parkeerinfrastructuur in vraag worden gesteld. In dit opzicht biedt het ontwerp van parkeergarages vele mogelijkheden om de parkeerruimte (vooral in de openbare ruimte) tot een minimum te beperken. Zo kan ook worden geanticipeerd op de aanpasbaarheid van de gebouwde infrastructuur voor andere functies, andere soorten voertuigen en de integratie van onderhoudsdiensten (voor automobilisten, maar ook voor fietsers enz.).

Het ontwerp en de inplanting van fietsenstallingen (in vastgoedprojecten) kunnen het gebruik van deze vervoerswijze ondersteunen: de optimalisatie, het comfort, de toegankelijkheid en de zichtbaarheid ervan faciliteren het gebruik van deze vervoerswijze.

MOB 05.03- Begeleidt de wijk de gebruikers naar nieuwe praktijken?

Ambitie: Een mentaliteitswijziging verwezenlijken vraagt om betrokkenheid van de gebruikers.

Het veranderen van verplaatsingspraktijken is vaak niet alleen een kwestie van aanbieden. Wanneer de wijk alternatieven biedt voor de personenauto, kunnen begeleidende maatregelen, informatie, voorlichtingen, bewustmakingsacties en zelfs praktische opleidingen nodig zijn om de gebruikers tot deze verplaatsingswijzen aan te zetten.